maandag 24 juli 2017
|     Rotterdam  

Geschiedenis Deel 4

Tijdens de oorlog (1939-1945)

In het seizoen 1939/1940 werd Feijenoord 1e in de 1e klasse en landskampioen. De wedstrijden in de oorlogsjaren werden op het Kasteel gespeeld omdat de Duitsers De Kuip hadden bezet. Soms moesten ze ook uitwijken naar het oude terrein aan de Kromme Zandweg, De Goffert in Nijmegen, het Ajax-Stadion of het Olympisch Stadion.

De oorlogsperiode van 1940 t/m 1945 waren zwarte jaren, ook voor Feijenoord. Er werden slechte resultaten geboekt en in het seizoen 1944/1945 werd de competitie onderbroken en eerder beëindigd. Ook werd er tijdens de oorlog weer een logoverandering doorgevoerd. Dit was het nieuwe logo:
[jwplayer mediaid=”33790″]

Feyenoord speelde net als het grootste deel van de Nederlandse voetbalwereld door tijdens de bezetting. Dat dit steeds moeilijker werd is niet moeilijk voor te stellen. Ten eerste was de vereniging getuige geweest van het bombardement op de binnenstad en zag het daardoor extra problemen opdoemen. Ook de aanwezigheid van havens met strategisch belang vergrootte het gevaar van gevechten. Door de razzia van Rotterdam in november 1944 werd Feyenoord getroffen door het afvoeren van leden, enzovoort. In dit hoofdstuk wordt in kaart gebracht hoe het bestuur en andere prominenten streden voor hun club, welke problemen daarbij ontstonden en hoe geprobeerd werd het dagelijkse voetballeven zo ongestoord mogelijk zijn doorgang te doen vinden. Allereerst wordt stilgestaan bij de vraag waarom de club niet wilde stoppen met voetballen.

Afleiding en discipline

Al in de jaren dertig werd door prominente Feyenoorders met grote regelmaat gehamerd op het doorspelen in crisistijd, zodat spelers en bezoekers een afleiding hadden van de dagelijkse zorgen. Ook uit het hoofdstuk over het Nederlandse voetbal tijdens de oorlog is dat duidelijk geworden. Het is daarom niet verwonderlijk dat daar tijdens de bezettingsjaren eveneens vaak op werd teruggekomen.

Heesakker spoorde daarom de spelers van het eerste elftal aan om de rood-witte kleuren trouw te blijven verdedigen: “Als wij er nu voor zorgen in de ‘running’ te blijven, dan zal deze competitie voor ons niet slecht verlopen en wij bezorgen op deze wijze velen een goede afleiding in deze tijden.”

Begin 1944 besteedde Heesakker ook aandacht aan het belang van het balspelletje: “Ach ja, wat heeft een mens momenteel eigenlijk meer dan de sport op het groene veld om zich te vermaken? Ook voor ons allen in de club zal de competitie een goede onderbreking zijn van de dagelijkse sleur en de druk, waaronder deze oorlogsjaren ons hebben gebracht. In deze tijd hebben wij iets opwekkends nodig en daarom hopen wij, dat de spelers er voor zullen zorgen, dat de competitie op een dusdanige wijze wordt begonnen dat met vertrouwen het verdere verloop tegemoet kan worden gezien.”

Heesakker sprak niet alleen de spelers van de hoofdmacht toe, maar ook de leden hadden hun taak om, ondanks alle ellende, kameraadschappelijke en onvoorwaardelijke opofferingsgezindheid op te brengen. “Een sportief vermaak is zelfs in deze tijd niet verkeerd”, meldde hij verder, “al zal men, ieder volgens zijn overtuiging, niet mogen vergeten zich te verdiepen in wat in deze wereld ons hoogste goed is. Vooral in deze tijd is afleiding gewenst, maar daarbij rust op alle leden een zware plicht.”

Hoe belangrijk het voetbal geweest is voor mensen tijdens deze moeilijke jaren blijkt uit het verhaal van een joodse onderduiker in Rotterdam-Zuid, die alle thuiswedstrijden van Feyenoord gedurende het hele seizoen 1942-1943 heeft gevolgd. Als de voetgangersmassa zich door de nauwe straatjes rond het stadion perste sloot de onderduiker zich aan bij de groep. De jongen, afkomstig uit Winterswijk, verbleef precies langs de route waar de mensen langsliepen. Na afloop, als iedereen huiswaarts keerde, kroop hij opnieuw in de beschermende massa, waarna hij bij zijn voordeur naar binnenglipte. Het volgende jaar werd hij verraden en afgevoerd naar Auschwitz, maar wist als één van de weinigen het concentratiekamp te overleven.

Ook Weber en Kieboom spraken tot hun leden. “Het ligt voor de hand”, schreef Weber, “dat menig Feyenoorder, zo niet elk, deze thans voorbije periode met een gevoel van leedwezen ziet afgesneden en de nu komende min of meer schoorvoetend tegemoet gaat.” Dat mocht onder geen beding, vervolgde hij, en wat al helemaal niet kon was het verdrinken in de herinneringen van vroegere en betere tijden. “Al is het dan, dat de toekomst ons voor gewijzigde toestanden zal plaatsen, wij gaan deze moedig en onversaagd tegemoet met de vaste wil datgene als vereniging in het nieuwe mede te brengen, wat ons met grote voldoening en dankbaarheid op het verleden doet terugzien en ons zo menige triumf deed behalen.” Kiest uw eigen toekomst, gaf Weber tot slot mee.

Kieboom wees op de beperkingen van behaalde voetbalsuccessen: “Menig beroemd speler zag door zijn voortdurend succes de wereld slechts van één kant. Door vrienden omringd, die hem alleen spraken over zijn verdiensten, zwegen zij, van wie hij zijn gebreken kon vernemen. Gij, spelers van het eerste elftal, levert slechts half werk, indien gij meent met een goede voetbalprestatie aan uw Feyenoord-plicht voldaan te hebben. Want eenmaal komt de tijd, dat u zich daarop niet meer beroemen kunt. Als dat onvermijdelijke moment is aangebroken, mag uw rol niet uitgespeeld zijn. De tijd schrijdt voort, nieuwe generaties dienen zich aan die geleid moeten worden. Gij verkeert in de bevoorrechte positie, en hieraan t.z.t. een werkzaam aandeel te nemen. Mogen uw gedragingen op en buiten het groene veld een reden geven, hiervoor uitverkoren te worden.”

Ledenaantal

Het aantal leden dat zich tijdens de oorlogsjaren had aangesloten bij Feyenoord bleef redelijk constant, ondanks enige verschillen met het landelijke patroon. In de eerste kolom staat het totale aantal leden en in de tweede het aantal jeugdleden:

 

1941                703                  300

1942                746                  114

1943                721                  263

1944                654                  216

1945                onbekend

 

Het ledental van Feyenoord tijdens de oorlog bleef dus op een hoog niveau, alhoewel tijdens de laatste jaren een daling werd ingezet. In vergelijking met de cijfers van de KNVB valt op dat deze daling iets eerder werd ingezet. Het is tijdens dit onderzoek niet duidelijk geworden hoe dat komt. Wellicht dat de razzia’s daarvoor verantwoordelijk zijn, waarvan in Rotterdam relatief veel mannen het slachtoffer werden. Dat het niet bekend is hoeveel leden in 1945 zich hadden aangesloten wordt hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de chaos van de laatste oorlogsmaanden. Zoals later blijkt is deze periode ronduit het zwaarst geweest voor de vereniging, en kan de afwezigheid van een betrouwbaar cijfer voor 1945 daaruit verklaard worden.

Organisatie

Vlak voor de bezetting, eind 1939, was Van Zandvliet teruggetreden als voorzitter. Oud-penningmeester Kieboom werd zijn opvolger. Daarnaast nam C. van der Put zitting in het orgaan. In 1943 trad weer een aantal wisselingen op, zodat het er toen als volgt uitzag: C.R.J. Kieboom (voorzitter), L.J. Gauke (secretaris), J.C. Tinhout (penningmeester), H.J. van Esch, H. van der Kroef, J. van der Kroef en J.A. van Rikxoort (commissarissen). C.A. Prins bekleedde in eerste instantie ook een bestuursfunktie, maar moest deze opgeven vanwege een verhuizing naar Arnhem. Phida Wolff stond ook toen garant voor de administratieve ondersteuning, tot hij bij de razzia van Rotterdam van 10 en 11 november 1944 werd opgepakt en afgevoerd naar Duitsland.

De Feyenoorder verscheen niet in juni 1940, maar keerde de volgende maand terug. Alle wetenswaardigheden, uitslagen en oproepen van Heesakker werden afgedrukt zoals de leden gewend waren. In september 1941 verscheen het laatste clubblad van de oorlog, omdat de bezetter wegens papiertekort de uitgave van verenigingsorganen had verboden. Vanaf dat moment onderhield Heesakker een wekelijks mededelingenblad dat opgehangen werd op het terrein. Op deze doorslagen werd op twee of drie kantjes verslag gedaan van de gespeelde wedstrijden. Ruimte voor andere zaken was er toen niet meer. Ook dit periodiek werd beëindigd, toen Heesakker in februari 1944 door de Duitsers werd opgepakt en afgevoerd naar een concentratiekamp in Amersfoort. Waarom Heesakker werd afgevoerd is tijdens dit onderzoek niet duidelijk geworden.

Waar het bestuur en de redaktie het hoofd boven water probeerden te houden gold hetzelfde voor de bezoekers van de Algemene Vergadering, de ledenbijeenkomsten. De gehele bezettingstijd door werden deze bijeenkomsten belegd. Of de autoriteiten deze bijeenkomsten ook bijwoonden is onbekend. Wel drukte de voorzitter bij de opening van de vergadering iedereen op het hart geen politieke zaken te bespreken. Wellicht werd gevreesd voor statements van de leden die zichzelf en de vereniging in gevaar brachten.

Tussen de zestig en honderd mensen bezochten de ledenvergaderingen in oorlogstijd. De eerste ‘oorlogsbijeenkomst’ werd bijgewoond door precies honderd mensen. De edities van 1941 werden meegemaakt door 92 leden tegen 63 op de voortgezette A.V. in november. Over 1942 is niets bekend, ook niet of die heeft plaatsgehad. Op 17 juli 1943 kende de bijeenkomst 85 belangstellenden. De laatste vergadering van de oorlog namen 77 mensen de moeite die bij te wonen. Om deze cijfers in perspectief te plaatsen: in 1939 waren er 65 bezoekers en 177 in 1946. Van 11 augustus 1945 zijn geen exacte cijfers, alleen maar Kieboom’s klacht over de slechte opkomst. Het bezoek aan de Algemene Vergadering in de oorlog vertoonde dus geen buitengewoon beeld, in vergelijking met de omliggende jaren.

Contributie en financiën

Eén van de punten die met grote regelmaat in de vereniging besproken werd, was de contributie en het donateurschap. Net als in de jaren dertig bestonden er verschillende categorieën van leden, die verschillende prijzen betaalden. De lidmaatschapsgelden lagen ongeveer op hetzelfde niveau als in 1933.

In 1943 waagde de heer Romeijn van de supportersvereniging een poging de kosten voor de donateurs te verlagen, vanwege financiële problemen van die groep mensen. Dat voorstel haalde het niet, mede door Kieboom’s tegenwerpingen. Volgens de voorzitter kon de vereniging het zich financieel niet veroorloven verder te dalen in prijs.

Het volgende seizoen betaalde een groot aantal leden de contributie niet, wat vooral het gevolg was van de razzia’s in Rotterdam. Veel mannen werden afgevoerd naar Duitsland om daar arbeid te verrichten. Het is niet bekend hoeveel Feyenoorders zijn afgevoerd of ondergedoken, maar een grof idee is te krijgen door te kijken hoe weinig inkomsten de penningmeester boekte in deze jaargang. Het seizoen 1944-1945 leverde fl 669,- op, tegen fl 4767,50 het volgende jaar. In andere jaren kwam doorgaans zo’n vijf- à zesduizend gulden in kas door de contributie. Bij terugkomst na de bevrijding betaalden deze mensen alsnog hun lidmaatschap.

Het ging ondanks alle problemen met de contributie financieel niet slecht met de club. Voorzitter Kieboom bracht in 1943 zelfs het verheugende nieuws dat de club het in dat jaar beter deed dan in 1940. De redenen voor deze blijde boodschap zijn helaas in de vergetelheid geraakt. Hetzelfde gebrek aan historisch bewijs geldt ook voor de constatering in 1944 dat een goed financieel jaar was afgesloten. Er zijn tijdens dit onderzoek geen documenten aangetroffen die beide uitspraken kunnen toetsen, waardoor niets anders rest dan ze over te nemen in goed vertrouwen.

Het enige waaruit blijkt dat het inderdaad niet slecht ging, waren de aflossingen aan Van Beuningen. Deze afbetalingen van de leningen voor de Kuip werden gedurende de oorlog in termijnen van fl 10.000,- afgelost. De laatste betaling vond plaats in juni 1945.

Oorlogsproblemen

Het eerste clubblad in oorlogstijd, juli 1940, schreef dat bij het bombardement van 14 mei 1940 op Rotterdam geen doden waren gevallen onder de Feyenoorders. Het eerste Feyenoordse oorlogsslachtoffer viel iets later alsnog te betreuren: als gevolg van een Engels bombardement was de vijftienjarige C. Bastiaanse omgekomen.

In het julinummer was een enorm aantal adreswijzigingen afgedrukt. Waar in de voorafgaande maanden gemiddeld vijf verhuizingen per keer werden opgetekend, waren dat er nu 43. Redenen werden niet vermeld, maar het kan niet anders dan dat deze kleine volksverhuizing door het bombardement was veroorzaakt.

Veel leden hadden dus materiële schade opgelopen. Het bestuur riep zijn leden dan ook op om voetbalkleren af te staan, zodat deze mensen weer voorzien konden worden van een tenue. Op de eerste Algemene Vergadering in de oorlog werd de oproep gedaan om getroffenen te helpen. Daarvoor zou door het bestuur een speciale commissie in het leven geroepen moeten worden.

Tot slot werd een aantal voetballers vermist. Een ieder werd gevraagd of ze bekend waren met het lot van L.H. van Driel, B.J. van Herwerden, A. van Heyningen, J.L. Oerlemans, W. Ruisch, B. Schuurman Hess, A. Vervoorn en C. van Wijngaarden. De ongeveer honderd Feyenoorders die onder de wapenen waren, maakten, voor zover bekend, het naar omstandigheden redelijk goed.

Het RVB-kantoor aan de Stationsstraat was geheel vernietigd. De bond verhuisde daarop naar een benedenhuisje aan de Middenhoefstraat. Aangezien de totale administratie in vlammen opgegaan was, werden alle leden opgeroepen hun identiteitskaarten naar de bond te zenden. De RVB had zich ook genoodzaakt gezien de competitie te staken. Feyenoord stond op dat moment bovenaan en was zodoende afdelingskampioen. Na veel vertraging zou de kampioenscompetitie toch gespeeld worden.

Het leven werd steeds moeilijker: zo werd de voetbalschoen op de bon gezet. “Zij die schoenen nodig hebben, dienen van te voren bij de administratie een aanvrage voor een bon in te dienen, waarna deze bon zal worden besteld bij de NVB. De bonnen kosten 10 cts.”

In december waren de Feyenoorders enigszins bekomen van de schrik. Alhoewel de bezetting voortduurde, inclusief alle problemen, was één van de leden in de pen geklommen en leverde het gedicht ‘Rotterdam herrijst straks weer’ af bij de redaktie.


Rotterdam is zwaar geteisterd,

Rotterdam lijkt naar de maan,

Rotterdam is nu een puinhoop,

Waar slechts steencadavers staan.

Maar de stoere Rotterdammer

Zit niet bij de pakken neer,

Rotterdam herrijst straks weer.

Hoogstraat, Blaak, Schiedamse-singel,

Beursplein, Haringvliet en Baan,

Botersloot en Nieuwe Haven

Hebben alle afgedaan.

Maar de stoere Rotterdammer

Zit niet bij de pakken neer,

Rotterdam herrijst straks weer.

Voetbalvelden zijn verdwenen,

Ingenomen door ‘t geschut;

Waar we eens ter schouwburg togen

Gaapt helaas een diepe put.

Maar de stoere Rotterdammer

Zit niet bij de pakken neer,

Rotterdam herrijst straks weer.

‘s Avonds alles in het duister,

Noodgedwongen vroeg naar bed.

Feestjes? Bals? Zijn uitgesloten;

Alles lijkt als stopgezet

Maar de stoere Rotterdammer

Zit niet bij de pakken neer,

Rotterdam herrijst straks weer.

Ook wij kregen zware slagen,

Veel dat ons ook sidd’ren deed;

Ook wij brachten zware offers

Aan het Rotterdamse leed.

Maar de echte Feyenoorder

Zit niet bij de pakken neer,

Feyenoord herstelt zich weer.

Pracht medailles, zilv’ren bekers,

Al wat Feyenoord bezat

Is vernietigd of verdwenen,

Feyenoord heeft een klap gehad.

Maar de echte Feyenoorder

Zit niet bij de pakken neer,

Feyenoord herstelt zich weer.

 

Inmiddels raakte een ieder gewend aan de omstandigheden. De nachtelijke verduistering was geen bezwaar meer, “ook daaraan is men nu wel gewend”. Om te voorkomen dat een te laconieke stemming zich meester zou maken werd de spreuk “weest zuinig op uw voetbalspullen” geplaatst. Niemand kon weten hoe lang nog de oorlog duren zou, en in wat voor omstandigheden dat zou plaatsvinden. De leden kwamen daar snel achter.

Schaarste bijvoorbeeld werd een steeds nijpender probleem bij de Rotterdamse vereniging. Begin 1943 besloot het bestuur daarom “in verband met gebrek aan animo onder onze leden en de schaarste aan materiaal geen bepaalde zomersporten te propageren”. De vergadering van 20 maart waarop dit werd besloten werd niet snel daarna beëindigd “in verband met het luchtalarm”.

Er werd van alles afgelast vanwege de oorlogsomstandigheden. In februari 1943 zwaaide de club een aanbod van PSV af om een film te lenen met beelden van een recentelijk gespeeld jeugdtoernooi, omdat problemen werden verwacht met het filmgilde en filmkeuringsbureau. Een uitnodiging, zo’n anderhalve week later, van Enschede en BVV om een wedstrijd tegen ze te spelen werd ook afgewezen. Vanwege de verordening dat op één dag niet meer dan honderd kilometer gereisd mocht worden, uitgezonderd voor de kampioenscompetitie, was er geen andere keus. En als er dan eindelijk werd gespeeld moest er rekening worden gehouden met het aantal supporters dat meereisde per trein. De NVB waarschuwde tegen deze reizen. “Voor kennisgeving aangenomen”, aldus de notulist.

Voorzitter Kieboom bewaarde in deze tijd de door zijn club bemachtigde prijzen thuis in theekisten. Niet dat ze werden onderhouden, “omdat we niet weten wat er gebeuren gaat. Het is toch het beste daarmede te wachten tot de oorlog voorbij is.” Een klein jaar later verhuisde de prijzenkast naar de kluizen van de Rotterdamse Bank en bleven daar tot na de bevrijding.

Het nieuwe seizoen 1943-1944 diende zich aan. De zoontjes van Raaymakers Sr. maakten dat niet meer mee, omdat hun vader vanwege het materiaaltekort hun lidmaatschap beëindigde. Enige maanden later volgde H.J. Keukenbring de broertjes Raaymakers. De schaarste werd toen zo nijpend dat in november het bestuur zich gedwongen zag om J. Hartkoorn jr. ernstig te berispen “wegens knoeien met water. Bij herhaling zwaardere straffen.”

In 1944 zag het bestuur zich geconfronteerd met een nieuw tekort. Ditmaal waren er te weinig doelnetten. “P.J. Stekelenburg gevraagd of hij ons thans spoedigst de bewuste netten, ter reparatie toegezonden, kan opsturen, daar wij er dringend om verlegen zijn.” Een week later antwoorde de reparateur de netten zo snel mogelijk terug te sturen, “onder vergezelling van reparatiegaren”. In mei van dat jaar werd toch overgegaan tot de aanschaf van nieuwe netten bij Siem Heiden. Daarvoor werd veertig gulden gereserveerd.

Aangezien Feyenoord de grootste vereniging van de omgeving was, klopten veel kleine broeders aan voor hulp. Bij De Spartaan waren de ballen gestolen, zodat de vereniging bijna smeekte om hulp, maar tevergeefs. Het werd afgewezen wegens Feyenoord’s eigen kleine voorraad. De hele oorlog door waren dergelijke verzoeken schering en inslag en bijna altijd werden ze afgewezen. Zelfs als er geld geboden werd volgde een negatief antwoord. Daarvoor was de voorraad gewoonweg te klein en de toekomst te onzeker.

Het leven werd nog moeilijker toen de Nederlandse Spoorwegen berichtte dat “per 1 mei de sportcontracten op bevel van hogerhand geannuleerd worden en dat voortaan de plaatsen gewoon aan het station tegen het gewone reizigerstarief genomen dienen te worden”. Dat betekende èn extra organisatie èn hogere kosten.

Een geheel nieuw probleem diende zich aan toen palen op en rond het veld geplaatst moesten worden. Deze werden op last van de bezetter aangebracht, om landingen van Geallieerde vliegtuigen te voorkomen. Op 4 november werd besloten “in hoofd- en bijvelden kokers te laten aanbrengen ten gevolge van het zetten van palen door de Duitse Weermacht, ten einde daardoor alsnog de mogelijkheid te scheppen van het spelen van wedstrijden”. Nadat het bestuur eerst overeenkwam om de palen op zondagmiddag te mogen weghalen, zodat gewoon gespeeld kon worden, dwongen de Duitsers alsnog om de versperringen pertinent te plaatsen.

De bestuursbijeenkomst van 9 december 1944 was, zelfs voor die tijd, ronduit rampzalig. Ten eerste lag de voorzitter in het Zuider Ziekenhuis, nadat hij gewond geraakt was tijdens het bombardement van 29 november. Hij zou blijvend invalide raken aan zijn rechterhand. Ook was Phida Wolff afgevoerd naar Duitsland. Tijdens zijn afwezigheid werden geen uittreksels meer gemaakt van de binnenkomende en uitgaande post.

De aanwezigen konden niet vergaderen in het kantoor “aangezien het ontruimd is”. Daarom werd verhuisd naar de bar, waar gesproken werd over te nemen maatregelen tegen diefstallen, hoogstwaarschijnlijk als gevolg van de hongerwinter. In het weekend van 12 en 13 augustus was trouwens al ingebroken in de Feyenoord-ruimte en werd een aantal kleine dingen (stempeldozen en theedoeken, bijvoorbeeld) vermist.

Als extra bewaking was de politie van het Sandelingplein benaderd. Contactpersoon De Leeuw bevestigde daarop dat zijn mensen het terrein in de vroege en late uren zouden aandoen, inclusief het verlenen van ondersteuning aan terreinknecht Ingen Barendregt.

De aanwezige bestuursleden bespraken daarna de jeugdtraining, en besloten deze te staken wegens de voedselpositie. De vergadering werd besloten “na de andere Bestuursleden te hebben dankgezegd voor hun aanwezigheid ondanks de moeilijke verbindingen en gevaar voor razzia’s”.

De volgende bijeenkomst vond plaats na de jaarwisseling, op 13 januari. Gauke wenste ieder een gelukkig nieuwjaar en “spreekt de wens uit, dat dit jaar tevens het einde van deze oorlog moge brengen”. Kieboom hoorde deze wens niet uitgesproken worden, aangezien hij pas twee dagen daarvoor ontslagen was uit het ziekenhuis en thuis herstelde. De voorzitter keerde terug op de bestuursvergadering van 17 februari 1945.

De houtdiefstallen op het oude terrein waren inmiddels behoorlijk toegenomen. Gauke achtte het daarom noodzakelijk de opstallen aldaar te verkopen, omdat verdere roof ondanks de versterkte bewaking niet was te voorkomen. De maand daarvoor was een offerte aangevraagd bij N.V. v.d. Heuvel’s Aannemings- en Handelsbedrijf, dat fl 10.000,- bood voor de opstallen en de aanwezige bomen. Het bod was maar één dag geldig wegens “de van uur tot uur toenemende diefstallen en de verder te verwachten plunderingen”. Daarmee ging de club akkoord. De opbrengst van de verkoop werd gereserveerd om later als aflossing te dienen voor het terugbetalen van Van Beuningen.

Tot slot bleken de financiën niet meer in orde te zijn. Mede door het niet-vermelden van lopende posten, de slechte registratie en de achterstand aan contributiebetaling als gevolg van de razzia’s onder de leden was er nog weinig touw aan vast te knopen.

Vier mei 1945 was de laatste bestuursvergadering in oorlogstijd. Dat beseften de aanwezigen zelf ook: “De voorzitter vangt aan met de woorden ‘Grote gebeurtenissen werpen hun schaduwen vooruit’. Dit zal wel de laatste vergadering onder Duitse bezetting zijn daar het einde der oorlog zeer nabij is. Deze vergadering is belegd om daar reeds op vooruit te lopen.” De aanwezigen spraken onder andere af om meteen na de bevrijding een toernooi of halve competitie te spelen met een Bevrijdingsbeker als inzet. Daarmee ging ieder weer zijn eigen weg, om elkaar weer te ontmoeten na de bevrijding.

Alleen zou ere-voorzitter Weber dat niet meer meemaken: op de bestuursvergadering van 8 juli 1944 luidde het bericht dat hij door ziekte was overleden. Alhoewel zijn dreigende einde al lange tijd verwacht werd, was de rouw groot. Weber werd geëerd voor het verheffen van Feyenoord van ‘bootwerkersclub’ naar een beter milieu. Na de oorlog stond ook de Feyenoorder nog stil bij zijn heengaan: “De plaats welke Feyenoord thans inneemt is verkregen, omdat de basis waarop gesteund wordt, mede door zijn onverpoosden arbeid hecht gefundeerd is.”

Stadionverbod

Door verschillende omstandigheden kon niet in de Kuip worden gevoetbald. Tijdens de kampioenscompetite van 1940 was Feyenoord voor de thuiswedstrijden uitgeweken naar Sparta, omdat de Duitsers het stadion in beslag hadden genomen. Later keerde de club tijdelijk weer terug.

In februari 1943 gaf de stadiondirektie door “er rekening mee te houden dat er geen kampioenswedstrijden op Zaterdagavond worden gespeeld in verband met de verhuring van sommige harer lokaliteiten aan de Distributiekring Rotterdam.”

April 1943 ontving het bestuur het bericht dat “op last van de Burgemeester alle wedstrijden in Rotterdam zonder publiek gespeeld moeten worden”. Vooral het gevaar voor luchtaanvallen tijdens wedstrijden was daarvoor verantwoordelijk. Een week later bevestigde het departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming deze onheilstijding. Zodoende moest afdelingskampioen Feyenoord voor zijn thuiswedstrijden in de kampioenscompetitie uitwijken naar andere steden, wat veel problemen opleverde. Nadat eerst toestemming was verkregen om de wedstrijd tegen Heerenveen in Amsterdam af te werken, moest uitgeweken worden naar Nijmegen. De wedstrijd vond uiteindelijk toch plaats in de hoofdstad. Feyenoord speelde de ‘thuiswedstrijd’ tegen ADO (Den Haag) ook in Amsterdam.

In juli oefende de NVB druk uit op de autoriteiten om toestemming te verkrijgen voor het bezoeken van de wedstrijden te Rotterdam voor maximaal duizend toeschouwers, maar de Feyenoord-bestuurders vonden dat aantal veel te laag. Meer mensen zou volgens hun geen probleem zijn, want als er een luchtaanval kwam kon iedereen op tijd vluchten. Alle argumenten ten spijt: de gemeente verleende de club geen toestemming voor publiekelijk bezochte wedstrijden.

In 1944 trachtte het bestuur wederom om òf terug te keren naar de Kuip òf een schadeloosstelling te eisen. “Departement van financiën wijst ons verzoek op schadeloosstelling door niet gebruik Stadion af en verwijst naar gemeentebestuur. Niets.” Het bestuur besprak daarom in mei de kwestie opnieuw.

Tijdens die bijeenkomst werd de schuld gelegd bij de directie van het stadion, die “bij de kampioenswedstrijden strijk-en-zet tegenover iedereen met bezwaren kwam over de gevolgen van een druk wedstrijdenbezoek bij eventuele luchtaanvallen. Dat het voetballen ten slotte op het Stadion verboden werd kon dus heus geen wonder genoemd worden”.

De maand mei werd gebruikt om met de stadiondirekteur te praten, maar veel hielp het niet. De burgemeester ontving in dezelfde tijd een brief van Kieboom, maar zijn reaktie kwam niet snel. In juni werd de burgervader daarom verzocht eens te reageren. Daarop meldde hij dat het bevel door de Duitse autoriteiten was gedaan en dat beroep aangetekend moest worden bij de Gemachtigde van de Rijkscommissaris voor Rotterdam, dr. C. Völckers. Daar waren de Feyenoorders het helemaal niet mee eens en schreven een nieuwe brief. Alle moeite was tevergeefs: pas op 27 mei 1945 werd de eerste wedstrijd met publiek weer in het Stadion gespeeld. Het moet de Rotterdammers enorm veel pijn hebben gedaan dat de Kuip tijdens de razzia’s gebruikt werd als verzamelplaats voor de opgepakte mannen. Vanuit het stadion werden ze afgevoerd naar het oosten. Ook heeft de dreiging van de sloop van de Kuip bestaan, maar dat is Rotterdam-Zuid bespaard gebleven.

Sportiviteit

Oorlog of niet, de Feyenoorder waakte voor onsportief gedrag. Hoe diep het moreel buiten het veld ook zakte deed er niet toe: Heesakker volgde ieders verrichtingen en greep regelmatig in. Door de omstandigheden werd wel minder vaak aan de bel getrokken dan in de jaren dertig.

De taken die de aanvoerder uit had te voeren waren onveranderd: “Degelijke karaktereigenschappen, die zijn het welke vereist worden. Hij moet de man zijn, die men in het elftal het liefste mag als mens en kameraad en die men respecteert om zijn persoonlijkheid. Hij moet alle goede karaktertrekken in hoge mate bezitten. Bovenal moet hij rustig en beheerst zijn. Er moet gezag van hem uitgaan.” Een gezag dat door de andere spelers gerespecteerd moest worden.

Heesakker had natuurlijk wel oog voor de bijzondere omstandigheden waarin het voetbal werd gespeeld. “Daarom moet men hier zeer opvoedkundig te werk gaan en daarom moet men er zich voldoende rekenschap van geven, dat een speler moeilijkheden overwinnen moet.” Desondanks wake de Feyenoorder voor onsportief en onkameraadschappelijk gedrag, aldus ‘Hees’.

Nadat de spelers van het eerste zich op 4 oktober 1942 geprovoceerd voelden door het Haagse VUC, en mede door de slechte scheidsrechter ruw gedrag vertoonden, waarschuwde Heesakker: “Jongens houdt toch de hoofden koel, ook al is de houding van de tegenpartij van dien aard, dat onaangenaamheden worden uitgelokt.”

In januari 1945 verscheen een aantal spelers van het derde elftal niet. De overgebleven spelers verloren daarop met 7-2 van RFC. “Het is een belediging van en een grote onsportiviteit tegenover de medespelers, om van de oneer de vereniging aangedaan maar niet te spreken.”

Spelers in Duitsland

Wolff en Heesakker waren niet de enigen die Feyenoord gedwongen verlieten. Meer spelers eindigden in Duitsland of elders, alhoewel onbekend is hoeveel Feyenoorders werden afgevoerd. Veel van hen stuurden regelmatig een brief of kaart naar de vereniging, die altijd werd beantwoord. In de eerste weken van februari 1943 werd bijvoorbeeld bericht ontvangen uit Duitsland en Frankrijk. “A. Moelker laat iets van zich horen uit Duitsland. Hartelijk schrijven omtrent het verenigingswel en -wee.”

Naast de informatieve berichtjes werden aanvragen ontvangen voor het spelen in Duitsland. “Gevraagd of wij dispensatie kunnen verkrijgen voor het spelen in Duitsland van ons lid P. van Wijngaarden.” Eerder werd dit lid al meegedeeld dat “we hem alle mogelijke medewerking zullen verlenen en aan de NVB zullen schrijven of er dispensatie verleend kan worden”. Vanaf eind maart 1943 mocht hij dan daadwerkelijk uitkomen voor een elftal in Duitsland. Gedurende de rest van de bezettingsperiode verleende Feyenoord met grote regelmaat toestemming aan zijn leden om te spelen voor Duitse clubs, waarvoor de goedkeuring van de NVB nodig was.

Leden die in Duitsland zaten betaalden een speciale contributie. In juni 1944 discussieerde het bestuur over contributieverlaging voor deze groep leden, maar daarover werd geen besluit genomen. De volgende maand werd uiteindelijk vastgelegd dat in Duitsland verblijvende leden met contributieachterstand niet werden afgevoerd.

Eén Feyenoorder speelde in deze jaren mee in ‘het verzwegen Oranje’, een officieus nationaal team dat samengesteld was uit Nederlanders in Duitse werkplaatsen. Krijgsman, zijn voornaam is onbekend, verving op 14 juni 1943 Jan de Wolf in de tweede helft van de ‘interland’ tegen Vlaanderen. Voor zover bekend was hij de enige Feyenoorder die in het officieuze ‘Oranje’ heeft gespeeld.

Voetbal

Na enige maanden vertraging werden de wedstrijden voor de kampioenscompetitie gespeeld. De openingswedstrijd op 16 juni 1940 was tegen Spekholzerheide, het voormalige Juliana. Gedwongen door de Duitsers had deze Zuidlimburgse vereniging afstand gedaan van haar oude naam. Het werd door de bezetter niet gewaardeerd dat toeschouwers ‘Hup Juliana, naar voren’ riepen, aangezien iedereen begreep dat daar niet alleen sprake was van clubliefde. Het voormalige Juliana reisde dus af naar de havenstad, wat door de chaotische toestanden maar liefst drie dagen in beslag nam.

In september meldde de Feyenoorder dan eindelijk dat de titel veroverd was. Deze was niet makkelijk behaald, omdat de spelers langzaam uitgeput raakten van de vele wedstrijden. Met name de voetballers die uitkwamen voor vriendschappelijke KNVB-wedstrijden hadden het moeilijk. In december werd het eerste elftal getroffen door een algehele inzinking, die toegeschreven werd aan het te veel spelen in de voorgaande maanden.

Omdat door de chaotische omstandigheden de normale competitie niet meer haar normale opzet had, werd een Rotterdamse competitie opgezet. Feyenoord speelde tussen mei en juli 1941 tegen H-DVS, RFC, Sparta en Xerxes om de stedelijke titel. De eerste jaargang werd gewonnen door Sparta, terwijl Feyenoord eindigde op de tweede plaats.

In het seizoen 1941-1942 speelde het team van Bas Paauwe niet zoals gewenst. De ploeg van de sinds mei 1941 aangestelde trainer C.A. van Dijke had het moeilijk. Eind december werd Ajax echter verslagen met 2-0 en verbeterden de perspectieven. “Als gij, spelers, het met mij eens zijt, dat die kans er is, dan kan het, dunkt me, niet anders, of er moet iets branden in je binnenste. Dan moet er iets in je omgaan, omdat ge nu weer iets kunt doen voor ons aller club”, aldus Heesakker. Het mocht niet helpen: Feyenoord eindigde als tweede en was uitgeschakeld voor de nationale titel. De andere elftallen hadden het wel goed gedaan: het tweede tot en met het zevende elftal werden kampioen.

Het eerste legde uiteindelijk nog wel beslag op de Rotterdamse titel. In dezelfde poule als het vorige jaar eindigde Feyenoord met één punt voorsprong op Xerxes.

Het Zilveren Bal-toernooi bestond ook nog steeds, en het was in 1942 dat Feyenoord deze trofee voor de eerste keer sinds 1939 won. Het Haagse Quick verloor de finale met 2-1. Het zou uiteindelijk de enige Zilveren Bal-winst van Feyenoord in de oorlog zijn.

Vol verwachting keken de aanhangers uit naar het nieuwe jaar. Na een tijd kwakkelen leken zich nieuwe tijden aan te dienen, tenminste, op voetbalgebied. Instemmend citeerde Heesakker een “Amsterdams Maandagochtendblad”: “Feyenoord beschikt weer over een geestdriftige, technisch goed spelende ploeg. Om de oude beproefde krachten: Paauwe, Vrauwdeunt, Kuppen en Linssen, heeft men jongeren gegroepeerd, die alle kans hebben, de roemruchte Feyenoord-traditie voort te zetten. Tot het kampioenschap toe.” In een nawoordje schreef Heesakker dat dit blad ook meldde dat er nog wel iets haperde in de ploeg, maar dat drukte hij niet letterlijk af. Laten we het op papierschaarste houden.

Op 6 december ontmoette de potentiële kampioensploeg Ajax. De topper werd ontsierd door het harde spel. In de tweede helft, toen Feyenoord met 1-0 voorstond, vochten de spelers een heuse veldslag uit. Vlak voor tijd, inmiddels was het 2-0, werd Feyenoorder Jan Bens een strafschop toegekend. De Ajax-doelman sloeg daarop de bal uit Bens’ handen, waarna de twee spelers elkaar begonnen te slaan. Feyenoord-aanvoerder Bas Paauwe wilde Bens het veld uitsturen wegens onsportief gedrag, maar Vrauwdeunt verhinderde dat. Ook hij kreeg een berisping van de aanvoerder, waarop de vechtende Feyenoorder alsnog werd verwijderd. De penalty werd niet verzilverd en Feyenoord speelde met tien man de wedstrijd uit. Het bleef 2-0. Naar aanleiding van dit gebeuren was Heesakker woedend: “Jongens, blijft onder alle omstandigheden kalm en gehoorzaamt aan de aanvoerder. En daarmede moet het uit zijn, wat er ook gebeurt.”

Het was op 24 januari 1943 dat de afdelingstitel werd gewonnen. Met het Nederlands kampioenschap in het vooruitzicht bezaten de spelers de mogelijkheid een mooi cadeau aan de vereniging te schenken. En dat in het lustrumjaar, het jaar dat de club 35 jaar bestond. “Ons parool zij nu: Met het zevende lustrum kampioen van Nederland!” Dat cadeau zat er voor de club helaas niet in. Na een spannende eindstrijd, met ‘thuiswedstrijden’ in Amsterdam, sleepte ADO de titel in de wacht.

De beslissingswedstrijd in Den Haag maakte nogal wat emoties los. Bij aankomst marcheerden groepen W.A.-ers over het veld. “De Duitse knechten paradeerden als verwaande heersers, hetgeen zij dan ook in letterlijke zin waren. Toch deed het ons plezier, dat zij menigmaal met een sarcastisch gefluit werden begroet.”

Het jaar 1943-1944, het laatste oorlogscompetitiejaar, was matig. Er trad weinig verbetering op in de geringe doelvaardigheid en het lage speelpeil: “De roemruchte Feyenoordse leeuw ligt terneer, tam en loom en tot grootse dingen blijkbaar slechts met uitzondering in staat. Zo nu en dan is er een opleving, maar daar is alles mee gezegd.”

De zaak Paauwe-Kuppen

In oktober 1943 liepen de onderlinge verhoudingen finaal uit de hand. Er was onder het spelerkorps onrust ontstaan nadat de Elftalcommissie Chris Sinke verving door Willem Wilhelm. Aanvoerder B. Paauwe en Kuppen deelden deze beslissing niet en weigerden de volgende wedstrijd te spelen. Door deze aktie zagen medespelers Joop van der Heide, Jan Linssen en Manus Vrauwdeunt zich gedwongen te bemiddelen in het conflict. Het werd allemaal nog erger toen Arie de Vroet zich aansloot bij zijn boze medespelers en Paauwe kenbaar maakte niet te willen praten met Kieboom. Sinke, die ook bijzonder boos was en veel lelijks had gezegd en gedaan, kwam nog op tijd tot inkeer en bood het bestuur zijn excuses aan voor zijn ietwat emotionele gedrag.

Over deze problemen diende het bestuur zich snel uit te spreken en belegde daarom een spoedvergadering. Na rijp beraad werd de Elftalcommissie opgedragen de drie rebellen weer op te stellen, mits die commissie daarmee akkoord ging en dat Paauwe onder geen beding aanvoerder zou zijn. Kieboom wilde daarnaast de betrokken spelers een schorsing opleggen van drie tot zes maanden, met een proeftijd van twee jaar.

Het incident maakte veel emoties en frustraties los. Bestuurder Tinhout “merkt op dat wij nu gelegenheid hebben Paauwe van zijn aanvoerderschap te ontheffen”. Ook gaf hij aan dat het zijn grootste plezier zou zijn indien “Kuppen geschorst kan worden niet alleen maar hem tevens te royeren. Hij is voor ieder in de vereniging een slecht voorbeeld”.

Zelfs Jan Linssen, volgens Van Wijnen de sportiefste speler van Nederland, had zich in de bestuursogen misdragen. Hij had in de eerste wedstrijd na het incident, ondanks de voorwaarde voor de opstelling van de rebellen, de aanvoerdersband overgedragen aan Paauwe. Van Esch wilde hem daarvoor op de vingers tikken.

De aanwezigen werden het uiteindelijk eens over de strafmaat: Kuppen en Paauwe werden voor drie maanden geschorst, met een proeftijd van twee jaar. Linssen werd officieel berispt en Sinke voor twee wedstrijden geschorst, omdat hij zonder reden wegbleef van een wedstrijd voor het tweede elftal. Kuppen en Paauwe legden zich niet neer bij de strafmaat.

Begin november ontving de administrateur de bevestiging dat de geschorsten in hoger beroep gingen, zodat een speciale commissie in het leven werd geroepen. Uiteindelijk trok Paauwe het boetekleed aan en bood zijn excuses aan, zodat besloten werd hem de aanvoerdersband terug te geven. De zojuist uitgeroepen spoedvergadering bleek daarop overbodig te zijn. De schorsing van Kuppen bleef onveranderd, alhoewel deze omgezet was in een voorwaardelijke straf. Daarover moest dus nog wel een uitspraak volgen.

“Strafzaak G.P.A. Kuppen. Voorzitter deelt mede door dhr. L. v.d. Slik benaderd te zijn. Kuppen heeft hem gevraagd of, nu aan Paauwe een gedeelte van zijn straf is kwijt gescholden, zijn straf ook geschrapt kan worden al is die dan ook slechts voorwaardelijk. Voorzitter heeft v.d. Slik meegedeeld dat daarop wel geen kans zou bestaan en het Bestuur vindt ook geen termen aanwezig deze straf ten gunste van Kuppen te wijzigen.” Op 13 mei stond de affaire nog eenmaal op de agenda, maar de aanwezigen beschouwden de zaak als afgedaan.

Het probleem had zich nu alleen verschoven. Het zinde penningmeester Tinhout niet dat het bestuur zijn schorsingen niet had gehandhaafd, en hij besloot daarom “met stille trom, om de rust niet te verstoren” aan het eind van het jaar zijn funktie ter beschikking te stellen. Toen zijn collega’s later toegaven dat onjuist was gehandeld besloot hij toch aan te blijven.

Van Esch versus Pijl

Door de matige tot slechte prestaties van het eerste lag trainer Pijl, die C.A. van Dijke opgevolgd had, steeds meer onder vuur. Het was met name bestuurslid Van Esch die elke gelegenheid aangreep om hem de laan uit te sturen.

Al in mei 1943 mopperde hij op de trainer, die “wat meer vaart en aanpakkingsvermogen” in het spel moest leggen. In maart 1944 lukte het Van Esch om de andere bestuursleden, die geen duidelijk standpunt innamen, te overtuigen van de noodzaak van een nieuwe oefenmeester. Besloten werd een advertentie te plaatsen in de Sportkroniek. Het is niet bekend of Pijl daarover werd ingelicht of dat hij de advertentie onverwachts onder zijn neus kreeg.

Toen de NVB in juni 1944 vroeg om een copie van het jaarcontract van Pijl werd besloten de volgende keer de trainer weer eens onder de loupe te leggen. Daar trokken de aanwezigen de conclusie dat er op korte termijn niemand anders gevonden kon worden. “Er zal wel niets anders opzitten dan een overeenkomst met Pijl aan te gaan.” Van Rikxoort opperde een maand later het idee om een bestuurslid toe te voegen aan de Elftalcommissie, aangezien “er zo weinig lijn in te bespeuren is”.

Feyenoord eindigde desondanks op de vijfde plaats, met zes punten achterstand op koploper VUC. In de Rotterdamse competitie eindigde Xerxes als eerste met evenveel punten als Feyenoord, maar het doelsaldo van Pijl en de zijnen was slechter.

“En toen volgde de zwarte, lange, koude en lugubere oorlogsnacht; de competitie werd niet eens begonnen; de hongerziekte had schier heel Nederland in zijn grijpgrage klauwen en ziekte, honger en dood heerste alom.” Na ruim vier jaar bezetting hadden de voetballers van het koninkrijk Feyenoord gecapituleerd.

Tekst afkomstig uit:

Feyenoord tijdens de oorlog

Dienaren van het rood-witte koninkrijk

van Jurryt van de Vooren

 

De wedstrijd tussen Feyenoord en Ajax van 10 oktober 1943, die door de Rotterdammers met 2-1 werd gewonnen. Deze Klassieker werd niet in de Kuip gespeeld, omdat de Duitsers hadden verboden hiervan gebruik te maken. De laatste keer dat hier tijdens de Tweede Wereldoorlog een wedstrijd werd gespeeld was op 7 maart 1943. Vanaf dat moment was het stadion verboden gebied voor Feyenoord.

Dat is dus de reden waarom je het vertrouwde stadion niet ziet in deze beelden..

[jwplayer mediaid=”33791″]

Indexpagina Geschiedenis | Deel 5 De magere jaren (1945-1959)»


FR-Fanatic.nl © 2005 - 2016 All Rights Reserved | Dank aan: Feyenoord Headliner & Feyenoord Headlinez & Feyenoord Nieuwsbreak | Bronnen | Version 5.1